President Isaac Herzog heeft Gadi Eisenkot aangewezen als eerste formateur voor een nieuwe regering in Israël. Eisenkot krijgt daarmee de opdracht een coalitie te smeden. Benjamin Netanyahu, wiens Likud-partij de grootste werd bij de verkiezingen, is op het zijspoor beland, omdat Eisenkot van de partijen meer aanbevelingen kreeg dan Netanyahu. Voor Netanyahu betekent dit dat zijn positie in het formatieproces aanzienlijk is verzwakt, ook al blijft zijn partij een van de sterkste politieke krachten in het land.
De verkiezingen leverden een recordaantal van negentien zetels op voor Arabische partijen. Die partijen hebben Eisenkot gesteund. Het blok rond Eisenkot haalt echter geen absolute meerderheid, en ook het blok van Netanyahu komt er niet aan. Daardoor is er geen eenvoudige route naar een stabiele regering. Een meerderheid is nodig om te kunnen regeren, en zonder die meerderheid kan het formatieproces lang duren en tot wisselende coalities leiden.
Eisenkot heeft vier voorwaarden gesteld aan mogelijke coalitiepartners. Israël moet een joodse en democratische staat blijven. De waarden uit de Onafhankelijkheidsverklaring moeten worden gehandhaafd. Er moet een algemene militaire of civiele dienstplicht komen. En Hamas moet als terreurorganisatie worden erkend en ontmanteld. Die laatste voorwaarde speelt een centrale rol in de discussie met de Arabische partijen. Ra'am, onder leiding van Mansour Abbas, noemt zich pragmatisch en veroordeelt de aanval van 7 oktober, maar wil Hamas niet als terreurorganisatie bestempelen. De Gezamenlijke Lijst zegt zich niet gebonden te voelen aan Eisenkots voorwaarden, maar staat open om hem te steunen. Daarmee ontstaat een spanningsveld: de steun van de Arabische partijen is voor Eisenkot waardevol, maar hun standpunten liggen op het punt van Hamas en de Israëlische identiteit dicht bij zijn eigen eisen.
Bennett en Lieberman sluiten uit dat zij zich verlaten op steun van Arabische partijen. Netanyahu waarschuwt op zijn beurt tegen een regering die afhankelijk is van islamistische partijen, een frame waarmee hij de oppositie probeert te raken. Eisenkot wijst samenwerking met Netanyahu uit de hand, net als andere oppositieleiders. Daarmee blijft de vraag open welke partijen uiteindelijk bereid zijn samen te werken en welke kant de oppositie op wil.
Ook binnen het rechtse kamp is er onenigheid. De ultraorthodoxe partij Verenigd Thora-Judaïsme heeft Netanyahu niet aanbevolen en zet zich af van hem. De ultraorthodoxen eisen vrijstelling van dienstplicht, terwijl Eisenkot campagne voerde voor algemene dienstplicht. Dat conflict over de dienstplicht is een van de belangrijkste obstakels bij de vorming van een coalitie. Lieberman heeft laten doorschemeren dat hij bij een coalitie zonder Netanyahu een compromis over de dienstplicht mogelijk acht. Zo raakt de kwestie van de dienstplicht direct verweven met de vraag wie er uiteindelijk aan de macht komt.
Netanyahu's Likud heeft verkiezingsfraude aangevoerd, maar een onderzoekscommissie en de politie vonden daar geen bewijs voor. Die vaststelling maakt het argument van de Likud minder sterk in het publieke debat over de uitslag. Het formatieproces is gebonden aan een termijn. Eisenkot heeft 28 dagen om een coalitie te vormen, met een mogelijke verlenging van veertien dagen. Lukt dat niet, dan kan het mandaat naar Netanyahu gaan. Mogelijke hernieuwde Amerikaans-Israëlische aanvallen op Iran zouden bovendien kunnen leiden tot een regering van nationale eenheid, een scenario dat de politieke krachtsverhoudingen snel kan veranderen.
2